Artrose van de schouder

Wanneer je schoudergewricht erg beschadigd of versleten is, wordt het moeilijk en pijnlijk om je armen en schouders te bewegen. Helpen geneesmiddelen en bewegingstherapie niet genoeg meer, dan biedt een schouderprothese uitkomst. Tijdens een operatie wordt je schoudergewricht vervangen door een kunstgewricht. Er bestaan verschillende types prothesen. 

geen_artrose

De dokter kiest er het type uit dat voor jou het meest geschikt is. Voor de ingreep moet je enkele dagen naar het ziekenhuis. Na enkele maanden revalideren kun je alle dagelijkse bewegingen weer vlot en pijnloos uitvoeren.

Het schoudergewricht

Een gewricht is een ‘losvaste’ verbinding tussen twee botten: het maakt beweging mogelijk maar houdt die botten tezelfdertijd bij elkaar. De schouder is een van de beweeglijkste gewrichten in ons lichaam. Daardoor kunnen we onze armen in allerlei richtingen bewegen en draaien. Een vernuftig samenspel van botten, spieren, pezen, bindweefsel en een elastisch gewrichtskapsel garandeert zowel die beweeglijkheid als de nodige stabiliteit. (zie anatomie van de schouder)

Wat kan er misgaan?

omartroseArtrose

Artrose is de belangrijkste oorzaak van beschadiging van het schoudergewricht. Zoals veel andere gewrichten kan het schoudergewricht verslijten. De bol en de kop zijn allebei bedekt met een laag glad kraakbeen. Daardoor kunnen ze vlot tegenover elkaar bewegen en langs elkaar heenglijden. Dat kraakbeen is het kwetsbaarste deel van het hele gewricht.

Het lichaam kan beschadigd kraakbeen niet meer herstellen. Naarmate we ouder worden, wordt het kraakbeen bij iedereen wat dunner en kwetsbaarder. Die slijtage van het kraakbeen wordt artrose genoemd. Ook overbelasting, herhaalde beschadiging of een breuk in het gewricht tasten het kraakbeen aan.

Wanneer het kraakbeen te sterk beschadigd of bijna verdwenen is, dan wrijven de twee botoppervlakken zonder bescherming tegen elkaar. Het gewricht ontsteekt en vormt ontstekingsvocht. Die ontsteking is pijnlijk. Bovendien probeert het bot zichzelf te herstellen door extra botweefsel aan te maken. Dat nieuwe bot vormt een puntige uitloper, de zogenaamde papegaaienbek, ook wel botspoor of osteofyt genoemd. Dat botspoor maakt de zaak alleen maar erger.

Artritis

Artritis is een ontsteking van een of meer gewrichten. Een langdurige ontsteking kan de getroffen gewrichten blijvend misvormen. Er bestaan verschillende oorzaken voor een gewrichtsontsteking, zoals een acute infectie elders in het lichaam of een chronische ontstekingsziekte zoals reumatoïde artritis. Artritis is niet hetzelfde als artrose.

Een ongeval

Een val of een ongeval kunnen je schouder breken en zodanig beschadigen, dat hij niet goed meer kan genezen. Het risico dat de schouder breekt, bestaat vooral wanneer je al een dagje ouder bent, omdat je botten minder sterk zijn en je gemakkelijker valt dan wanneer je jong was.

Botinfarct

De bol van het gewricht kan afsterven doordat hij permanent of tijdelijk geen bloed meer krijgt. De wetenschappelijke naam daarvoor is avasculaire botnecrose. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren na een zware breuk of als je erg veel of lang bepaalde geneesmiddelen hebt genomen.

Gevolgen

Je schouder en arm bewegen wordt erg pijnlijk. Die pijn is er altijd, maar ze wordt erger wanneer je je schouder veel beweegt. ‘s Nachts kun je niet meer op je schouder liggen omdat dat teveel pijn doet.

Het gewricht verstijft en je kunt niet meer alle gewone bewegingen met je armen en je schouders uitvoeren. Dagelijkse activiteiten zoals jezelf aankleden, wassen of iets oprapen worden op de duur zelfs onmogelijk.

Wanneer een schouderprothese?

Beginnende schouderartrose kun je behandelen met tijdelijke rust, geneesmiddelen en spierversterkende oefeningen die je leert bij een kinesist. Ook voedingssupplementen zoals chondroïtinesulfaat en/of glucosamine kunnen de pijn verminderen.

Meestal probeert men de ontstekingspijn ook te verminderen door inspuitingen met cortisone of hyaluronzuur. Hyaluronzuur is het hoofdbestanddeel van de natuurlijke gewrichtsvloeistof. Die vloeistof werkt als smeermiddel en schokdemper bij alle gewrichtsbewegingen, en is ontstekingsremmend.

Als dat allemaal niet meer helpt en je zelf vindt dat het zo niet meer verder kan, is het tijd voor een schouderprothese.

De meeste mensen die een schouderprothese krijgen zijn ouder dan 70, maar verder in goede conditie. Ze willen zo zelfstandig mogelijk blijven voor hun dagelijkse activiteiten.

Onderzoek

Voor er beslist wordt of je een prothese krijgt – en welk type - moeten een paar onderzoeken gebeuren.

  • Je verhaal: hoe lang heb je al pijn en last van stijfheid? Hoe is het begonnen? Wanneer doet het het meest pijn? Hoe is je gezondheid? Heb je bepaalde ziekten? Heb je vroeger ooit iets gebroken of een ongeval gehad? Welke geneesmiddelen neem je nu en heb je vroeger genomen?
  • De dokter onderzoekt je schouder uitwendig en laat je bepaalde bewegingen met je arm uitvoeren. Je moet je arm zo hard mogelijk tegen de hand van de dokter in wegduwen. Dat is even pijnlijk, maar het moet gebeuren. Zo komt de dokter te weten hoe het gesteld is met je rotatorcuffpezen. De toestand van die pezen bepaalt mee de behandeling. Sommige dokters voeren een bepaald gestandaardiseerd lichamelijk onderzoek uit, om vast te leggen hoeveel last je hebt en hoeveel je van je schouderfunctie kwijt bent. Het resultaat daarvan is de Constant-Murleyscore. Na de behandeling wordt dit onderzoek opnieuw uitgevoerd. Door de scores met elkaar te vergelijken, kom je te weten hoeveel je vooruitgegaan bent.
  • Beeldvormend onderzoek: Foto’s maken niet alleen de toestand van het bot en het kraakbeen zichtbaar, maar ook die van de spieren en pezen van het schoudergewricht. De volgende onderzoeken zijn mogelijk: 1) Een CT-scan. Daarvoor wordt radioactieve straling gebruikt. Het CT-toestel maakt een aantal opeenvolgende opnames, die door een computer verwerkt worden tot beelden. 2) Een arthrografie. Dan wordt contrastvloeistof in het gewricht ingespoten en wordt een röntgenfoto gemaakt. De contrastvloeistof kan de pijn even iets erger maken. 3) Een arthro-CT-scan is een combinatie van een CT-scan met een arthrografie. Is bijvoorbeeld een pees gescheurd, dan loopt het contrast door de scheur en is op de CT-scan duidelijk zichtbaar waar de scheur juist zit. 4) Soms gebeurt een MRI-scan of arthro-MRI-scan. Voor een MRI-opname wordt geen radioactieve straling gebruikt, maar wel een heel krachtige magneet. Een arthro-MRI-scan is een combinatie van een arthrografie met een MRI-scan.
Welke prothese?

Er bestaan verschillende types schouderprothesen: anatomisch of omgekeerd, volledig of half, met of zonder steel. Welke gebruikt wordt, hangt af van de toestand van je schouder.

totale_shouderprotheseDe volledige schouderprothese
Voor wie?
  • Een volledige schouderprothese wordt geplaatst als het gewricht zelf versleten is, maar de pezen nog goed zijn.
Wat gebeurt er?
  • Tijdens een chirurgische ingreep wordt het hele gewricht vervangen. De bol en de kom van het gewricht krijgen een nieuwe bekleding die het versleten kraakbeen vervangt. Zo’n prothese lijkt goed op het natuurlijke gewricht. Daarom wordt ze ook een anatomische prothese genoemd.
  • De bol wordt afgezaagd of afgeslepen en vervangen door een metalen bol uit een legering van kobalt en chroom.
  • De bol kan vastzitten aan een steel, die verankerd wordt in de schacht van de bovenarm, dat wil zeggen in het mergkanaal in het midden van het bot. De steel kan ingebed worden in een laagje botlijm of botcement. Dat is een gecementeerde prothese. Ofwel wordt de steel stevig in het bot gehamerd, waarna hij vanzelf in het bot vastgroeit. Dat heet een ingroeiprothese. Wordt de prothese geplaatst omdat de schouder gebroken is, dan wordt er altijd cement gebruikt. Verder hangt het af van de voorkeur van de chirurg.
  • Zit er geen steel aan de bol, dan wordt het versleten kraakbeen vervangen door een sterke, gladde metalen kap. Dan spreekt men van een herbekledings-of resurfacingprothese. Die kap moet precies passen en wordt klemvast ingehamerd.
  • De kom wordt gladgeslepen tot op gezond onderliggend bot. Een schijfje uit hard plastic, bijvoorbeeld polyethyleen, komt in de plaats van het kraakbeen. Het schijfje wordt met of zonder cement geplaatst.
De halve prothese of hemiprothese
Voor wie?
  • De halve prothese wordt gebruikt als alleen de bol is aangetast maar niet de kom. Zo’n halve prothese kan gesteeld of niet-gesteeld zijn.
  • Ze wordt ook gebruikt om zware en ingewikkelde breuken van de schouder te herstellen.
Wat gebeurt er?
  • De bol wordt vervangen door een bol uit kunststof. De kom van het gewricht blijft zitten.
  • Bij een breuk wordt de steel meestal met cement in de schacht van de bovenarm vastgemaakt. Stukken bot die door een breuk zijn afgebroken, worden samen met de pezen die nog aan het bot vastzitten, met sterke draden aan de prothese vastgemaakt.
Voorbereiding op de ingreep
  • Ga vóór een geplande prothese-operatie langs bij de tandarts voor een controle van je gebit. Als je een tandinfectie hebt, is de kans namelijk groter dat het gebied rond de prothese gaat ontsteken. Daarom moet zo’n tandinfectie eerst genezen zijn voor je geopereerd mag worden.
  • Een dag voor de geplande ingreep word je opgenomen in het ziekenhuis. Daar gebeuren nog enkele algemene onderzoeken die nodig zijn voor een operatie. Zoals een elektrocardiogram of een bloedonderzoek. Ook de anesthesist komt langs.
  • Vanaf 12 u ’s nachts mag je niets meer eten of drinken.
De ingreep zelf
  • De operatie gebeurt onder algemene verdoving. Ze duurt één tot anderhalf uur.
  • Voor de plaatsing van de prothese wordt een insnede van ongeveer 10 cm gemaakt aan de voorzijde of de bovenzijde van de schouder.
  • Je verblijft een kleine week in het ziekenhuis.
Risico’s

Elke chirurgische ingreep heeft mogelijke complicaties, al is de kans erop klein.

  • Een negatieve reactie op de verdoving.
  • Een ontsteking rond de prothese.
  • Schade aan bloedvaten of zenuwen.
  • Een breuk van het bot van de bovenarm of het schouderblad.
  • Stijfheid en verlies van beweeglijkheid van de schouder.
  • Op (middellange) termijn kan de prothese loskomen of vroegtijdig verslijten.
  • De prothese kan ontwricht raken, vooral als er vroeger verschillende chirurgische ingrepen in de schouder gebeurd zijn, of als deze prothese een vorige prothese moet vervangen.
Revalidatie
  • De revalidatie start meteen na de operatie, maar welke oefeningen je vanaf wanneer mag uitvoeren, verschilt een beetje volgens het type prothese en waarom ze geplaatst werd. Luister daarom goed naar je arts en je kinesist.
  • Meestal mag je onmiddellijk beginnen bewegen met je schouder. Al snel leer je zelf je schouderblad naar voor, achter en omhoog te trekken. Daarnaast doe je pendeloefeningen: je zwaait je arm hangend naar voor en naar achter.
  • Liggend op je bed mag je je hand aan de geopereerde kant proberen naar omhoog te brengen, eerst met behulp van je andere hand en daarna alleen. (zie schouderversterkende oefeningen)
  • Weer thuis oefen je verder met een kinesist naar keuze. De kinesist begeleidt je bij de oefeningen maar jij moet de oefeningen zelf verschillende keren per dag doen.
  • Oefen veel en leer jezelf weer alle dagelijkse bewegingen aan, maar forceer niets en blijf altijd onder de pijngrens.
  • Na zes weken mag je beginnen met spierversterkende oefeningen.
  • Na een drietal maanden kun je bijna alle bewegingen weer uitvoeren die je nodig hebt in je dagelijkse leven.
Controle en opvolging
  • Heb je eenmaal een prothese, dan moet je regelmatig terug naar de dokter.
  • Na drie weken worden de hechtingen verwijderd.
  • Na drie maanden gebeurt een RX-opname.
  • Na zes maanden ga je nog eens terug. Is alles goed, dan kom je vanaf dan jaarlijks op controle.
  • Belangrijk! Krijg je vroeg of laat een infectie of een ontsteking waar ook in je lichaam, raadpleeg dan meteen een arts. Ziektekiemen vestigen zich namelijk heel graag op dat vreemd voorwerp in je gewricht en laten zich daar maar heel moeilijk uit verwijderen.
  • Laat nooit een inspuiting plaatsen in de geopereerde schouder.
Wat mag je verwachten?

Met een schouderprothese heb je minder pijn, meer kracht en een grotere beweeglijkheid dan voor de operatie. Je kunt alle dagelijkse activiteiten weer uitvoeren zonder beperkingen. Iedere situatie is natuurlijk anders. Werd de prothese geplaatst na een ingewikkelde breuk, dan duren het herstel en de revalidatie onvermijdelijk veel langer dan wanneer het om een geplande operatie wegens artrose ging. Ook het soort prothese, de accuraatheid van de operatie, de toestand van je schouder voor de ingreep en de kwaliteit van je botten spelen een rol in het eindresultaat.

Elk type prothese heeft zijn voor- en nadelen. Zo heb je een snellere en betere verlichting van de pijn na een volledige schouderprothese dan na een halve. Chirurgisch is het echter een moeilijker ingreep, zodat de kans op complicaties iets groter is. Met een omgekeerde prothese revalideer je sneller dan met een anatomische prothese. Je kunt weer beter je arm boven je hoofd brengen, maar het is soms moeilijker om met je arm naar achter te reiken of hem naar buiten te draaien. Ook de langetermijnresultaten zijn minder goed dan met een anatomische prothese. Vaak valt er echter niet te kiezen tussen het ene of het andere type.

Een prothese verslijt sneller dan een natuurlijk gewricht. De levensduur hangt af van veel verschillende factoren, zoals je lichamelijke conditie en hoe actief je bent. Zachte recreatie en vooral zwemmen zijn goed, maar vermijd voortaan activiteiten die veel vergen van het gewricht. Zoals contactsporten, boksen of houthakken.

Meer informatie?

Hebt u nood aan een diagnose door een specialist in schouderaandoeningen? Contacteer ons voor een consultatie.

lees pdf